Ik kan reanimeren

Ik kan reanimeren! Dat was mijn mening nadat ik in ongeveer een half uur had gepompt en geblazen op de vertrouwde Anne. Een goedwillende instructeur verteld de theorie en geeft een demonstratie van een perfecte reanimatie.

Voor ons ligt Anne, een slank lichaam met een trainingspak. Goed schoongemaakt met desinfecteer en klaar voor de eerste reanimatie.

Nadat ik eerst eens de kat uit de boom kijk en diverse cursisten voor me laat gaan ben ik aan de beurt. Ik plaats m’n knie-en op dezelfde plaats als m’n collega’s en duw op de aangegeven manier de borstkas 5-6 cm in. Het tempo wordt aangegeven door een metronoom en op een metertje kan ik ook nog zien of ik diep genoeg druk.

Na de dertig keer pompen blaas ik door het harde en naar alcohol smakende mondje twee maal de longen vol en start opnieuw met compressies. Gelukkig maakt de instructeur na iedere deelnemer de mond van Anne goed schoon. Ik moet er toch niet aan denken dat ik iets oploop van één van de anderen.

Na de cursus vertel ik vol trots aan iedereen dat ik kan reanimeren.

In de zomer van 2010 geeft ik me op bij AED-alert. Men zoekt in mijn wijk mensen die kunnen en willen reanimeren en uiteraard ben ik daartoe bereid. In onze buurt hangt ook al een kastje op een buitengevel met daarin een Automatische Externe Defibrillator. Dus, kom maar op!

December 2010. Eindelijk een paar dagen vrij. Hangend op de bank voor de tv. Op de tafel in de woonkamer klinken de bekende piepjes van de mobiele telefoon. Een SMS! Niets bijzonders en ik schenk er even geen aandacht aan. Mijn wederhelft loopt echter  naar de tafel en bekijkt het beeldscherm. “Het is iets met een AED” zegt ze.

Vijf seconden later is de joggingbroek uit en de spijkerbroek aan, ren ik naar mn sleutels en vraag aan m’n vrouw waar het betreffende adres ongeveer is. “Bij kapper Arjan in de straat” is het antwoord. Met m’n jas in de hand pak ik nog even snel een beademingskapje. Het ding heb ik gekregen en klaargelegd in de meterkast. je weet tenslotte nooit waar het goed voor is.

Aangekomen op het adres parkeer ik m’n auto met slippende banden tussen de kriskras geparkeerde andere auto’s. Terwijl ik uitstap roept een jongeman “Ze zijn al bezig hoor!”. Ik negeer hem en ren de trappen op naar boven. Binnengekomen tref ik een drukte van belang, midden in de woonkamer ligt een oudere dame op de grond. Twee heren zijn volop aan het reanimeren en de AED is reeds aangesloten. Het valt me op dat er niet beademt wordt en vraag of ik dat kan gaan doen.

Beide heren gaan direct akkoord. later begreep ik waarom.

De betreffende dame leek in het geheel niet op Anne. Buiten het feit dat ze 50 kilo zwaarder was liep er speeksel uit haar mond, zat daar ook nog een loshangend gebit en maakte ze bij iedere compressie een kreunend geluid. Onwennig en onzeker ga ik aan de hoofdkant van mevrouw languit op de grond liggen, pak m’n beademingskapje, vouw deze uit en plaats deze over neus en mond van mevrouw.  Wanneer men aan het tellen gaat van twintig naar dertig plaats ik mijn mond op het ventieltje en begin bij dertig met blazen.

Van schrik trek ik m’n hoofd naar achteren en stop. Onder het kapje voel ik het hoofd van mevrouw opzwellen. Althans, wanneer ik blaas vul ik eerst de mondholte van mevrouw met lucht en bollen haar wangen op. Buiten het feit dat het speeksel tussen m’n vingers door loopt is dit iets wat Anne nooit deed.

Na de volgende dertig compressies krijg ik een nieuwe kans en krijg ik uiteindelijk wel lucht in de longen. Uiteindelijk hebben we dit ongeveer acht minuten volgehouden voordat de ambulancedienst de beademing van me over nam. ik heb m’n  mondkapje afgespoeld en ben weer naar huis gegaan.

Eenmaal thuis begon de onrust. De film komt nog honderd keer voorbij en je vraagt je even zo vaak af of je juist hebt gehandeld. De dagen erna kom je langs het betreffende adres en vraagt je af hoe het afgelopen is. Wanneer ik bel met AED alert over het feit dat het apparaat gebruikt is vraagt men belangstellend of ik er moeite mee heb. Wanneer ik antwoord met “ja” adviseert men mij contact op te nemen met slachtofferhulp.

Wie? Slachtofferhulp?  Die zijn toch alleen maar voor psychische hulp na een tasjesroof of zo? Dat heb ik dus niet gedaan!

 

In de weken daarna vraag ik me af wat ik in de cursus eigenlijk geleerd had. Ik heb Anne leren reanimeren maar ik kreeg iets wat er totaal niet op leek. Bij navraag bleken er vele andere goedwillende hulpverleners een zelfde ervaring te hebben.

Op een mooie dag ben ik weggegaan bij Anne. Ze bevindt zich nu opgevouwen in haar koffer op zolder. Fred is haar vervanger, echter 50 kilo zwaarder en voorzien van een maatpak, overhemd, pruik en snor.

Beste lezer, de ervaring was geweldig. Na een reanimatie van een klik-klak lijk in de zaal (Anne), roepen we de groep naar buiten voor een onwel wording. De reactie bij aankomst is verbijsterend.

De eerste cursisten welke werden geconfronteerd met Fred trokken de snor van zijn lip, maakten zijn mond schoon en gingen daarna beademen. Ik ervoer dit als het slopen van mijn reanimatiepop maar bedacht me later dat men teruggreep naar het aangeleerde referentiekader.

Men greep terug naar het naar alcohol ruikende en schoongemaakte harde mondje.

Later ben ik de pop gaan voorzien van een beetje bloed uit de mond. Dit gaf een versterkend effect aan de toch al niet fris uitziende snor. Nu weigert menig cursist te beademen, is versleten na 2 minuten pompen en schreeuwt om aflossing. Kijk! Dat is nou reanimeren!!

Door de pop te veranderen in een redelijk echt uitziend mens wil men ineens handschoenen aan en geeft ik menig uur training in het gebruik van een beademingskapje. Zo zou het moeten zijn! Toch!

In oktober 2012 komt er een mannelijke cursist het lokaal binnen en verteld dat hij een meneer heeft gereanimeerd. Wanneer ik hem vraag hoe het gegaan is antwoord hij; “Het was precies jouw pop” en het koste me totaal geen moeite. Ik denk zelfs dat jouw pop smeriger is en ook zwaarder reanimeert. het viel me mee.

Een groter compliment kon hij me niet geven.

Arjan de Kleijn